Alle Tweets
Vorige:
Volgende:
katten en honden

1.48 Zie ik mijn huisdier in de hemel?

Hemel, hel of vagevuur?

God heeft de mens de zorg voor dieren gegeven (Gen 2,19-20)Gen 2,19-20: Toen boetseerde de Heer God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe hij ze zou noemen: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet.. Sint Franciscus is een mooi voorbeeld van hoe we veel van dieren kunnen houden zonder te overdrijven. Soms kunnen we een heel bijzondere band hebben met een dier.

Er zijn grote verschillen tussen mensen en dieren, zoals het feit dat dieren hun instinct volgen terwijl mensen rationeel kunnen nadenken. De Bijbel vertelt over de dieren als ‘soort’, maar over mensen als unieke wezens. Ieder van ons is bewust door God geschapen. Dieren hebben  buiten hun aardse leven geen doel. In de hemel zullen we compleet gelukkig zijn doordat we voor eeuwig God aanbidden. Daarom zullen we onze huisdieren daar niet missen.

> Lees meer in het boek

In tegenstelling tot mensen hebben dieren geen onsterfelijke ziel die doorleeft. De dood is definitief: ze hebben geen doel buiten dit leven.

Uit de Wijsheid van de Kerk

Wat gebiedt het zevende gebod?

Het zevende gebod gebiedt de eerbiediging van de goederen van de ander door de beoefening van de rechtvaardigheid en de liefde, van de matigheid en de solidariteit. In het bijzonder vraagt het de eerbiediging van gedane beloften en aangegane contracten; het herstel van de onrechtvaardigheid die werd begaan en om teruggave van wat gestolen werd; de eerbiediging van de heelheid van de schepping door een verstandig en gematigd gebruik van de minerale, plantaardige en dierlijke hulpbronnen van het heelal, met bijzondere aandacht voor de soorten die met uitsterven worden bedreigd. [CCKK 506]

Hoe moeten wij met dieren omgaan?

Dieren zijn onze medeschepsels die we moeten liefhebben en waarover we ons mogen verheugen, zoals God zich verheugt over ons bestaan.

Ook dieren zijn schepsels van God die gevoel hebben. Het is een zonde ze te kwellen, te laten lijden en zinloos te doden. Toch mag een mens zijn dierenliefde nooit belangrijker vinden dan zijn mensenliefde. [Youcat 437]

Hoe vormen in de mens de ziel en het lichaam een eenheid?

De menselijke persoon is een wezen dat tegelijk lichamelijk en geestelijk is. In de mens vormen de geest en de stof één enkele natuur. Deze eenheid is zo diep dat, dank zij het geestelijke beginsel dat de ziel is, het lichaam dat stoffelijk is, een menselijk en levend lichaam wordt, en deelheeft aan de waardigheid van het beeld van God. [CCKK 69]

Wat is de ziel?

De ziel is dat wat elk van ons tot mens maakt: zijn geestelijke levensbeginsel, zijn innerlijk. De ziel maakt dat het stoffelijke lichaam een levend, menselijk lichaam is. Door zijn ziel is de mens een wezen dat ‘ik’ kan zeggen, hij staat daardoor als een uniek individu voor Gods aangezicht.

Mensen zijn wezens met een lichaam en een geest. De menselijke geest is meer dan een functie van het lichaam en kan niet verklaard worden uit de materiële conditie van de mens. Het verstand zegt ons: er moet een geestelijk beginsel zijn, dat weliswaar aan dit lichaam gebonden is, maar er niet mee samenvalt. Dat noemen wij ‘ziel’. Hoewel de ziel langs natuurwetenschappelijke weg niet bewezen kan worden, kun je de mens niet als geestelijk wezen begrijpen, als je niet zo een geestelijk beginsel aanvaardt dat de materie overstijgt. [Youcat 62]

Van wie heeft de mens zijn ziel ontvangen?

De menselijke ziel wordt rechtstreeks door God geschapen en niet door ouders ‘voortgebracht’.

De menselijke ziel kan niet het product zijn van een evolutionaire ontwikkeling uit de materie, en ook niet het gevolg van een genetische verbinding tussen vader en moeder. Het mysterie dat er met ieder mens telkens weer een unieke, geestelijke persoon in de wereld komt, drukt de Kerk als volgt uit: God geeft hem een ziel die niet sterft, ook als de mens zijn lichaam in de dood verliest, om het bij de verrijzenis terug te vinden. Als je zegt: ik heb een ziel, betekent dat: God heeft mij niet alleen als wezen geschapen, maar als persoon die geroepen is om in een nooit meer eindigende relatie met Hem te staan. [Youcat 63]