Alle Tweets
Vorige:
Volgende:
oma met kleindochter

3.50 Waarom worden we weggestuurd aan het einde van de Mis?

Eucharistie

Aan het einde van de Eucharistieviering zegt de priester: "Gaat nu allen heen in vrede". Dit ene laatste zinnetje gaat over ons hele leven als christen.

De Eucharistie is weinig waard als we erna niet werkelijk heengaan in de vrede van Christus om hulp te bieden aan wie die nodig heeft en het Evangelie te verkondigen aan de hele schepping. Het is de taak van iedere christen om mensen te helpen die arm, verdrietig, hongerig, ongelukkig, eenzaam of kwetsbaar zijn, of verdrukt worden.  De #TwGOD app kan je helpen om de teksten van de Mis goed te volgen in allerlei talen.

> Lees meer in het boek

‘Gaat nu allen heen in vrede’ betekent dat we Jezus moeten navolgen en verkondigen in de wereld. We worden Lichaam van Christus voor anderen.

Uit de Wijsheid van de Kerk

Waarom zeggen wij ‘amen’ na de belijdenis van ons geloof?

We zeggen Amen - dus: ja - op de belijdenis van ons geloof omdat God wil dat wij getuigen van het geloof zijn. Wie amen zegt, stemt vol blijdschap en in vrijheid in met het scheppende en verlossende werk van God.

Het Hebreeuwse woord ‘amen’ gaat terug op een wortel die zowel ‘geloof’ als ‘standvastigheid, betrouwbaarheid en trouw’ betekent. ‘Wie amen zegt, zet zijn handtekening’ (Augustinus). Dit onvoorwaardelijke ‘ja’ kunnen wij alleen uitspreken omdat Jezus zich voor ons in de dood en verrijzenis als trouw en betrouwbaar heeft betoond. Hij is zelf het menselijke ‘ja’ op alle beloften van God, zoals Hij ook het definitieve ‘ja’ van God aan ons is. [Youcat 165]

Hoe wordt de Blijde Boodschap verspreid?

Vanaf het begin hadden de eerste leerlingen het vurig verlangen Jezus Christus te verkondigen, met de bedoeling om alle mensen te brengen tot het geloof in Hem. Ook vandaag wordt uit de liefdevolle kennis van Christus het verlangen geboren om te evangeliseren en te catechiseren, dat wil zeggen in zijn Persoon heel het heilsplan van God te onthullen, en de mensheid te brengen tot de gemeenschap met Hem. [CCKK 80]